Er zijn op ’t eerste zicht twee manieren om naar een bijenvolk te kijken. Meetbaar: Je trekt je labo-jas aan en je kan alles uiteen halen, meten, wegen, analyseren met veel cijfers, grafieken enz … Magisch: Je trekt je verwonderings-jas aan, je zet je in de buurt van een bijenvolk en je kijkt, luistert, voelt. De magie van het “superorganisme” heeft je in zijn ban. Maar… waarom zouden we niet beide doen. Mensen als Thomas Seeley (1) en Jürgen Tautz (2) bewijzen dat je een wetenschappelijke bril kunt opzetten zonder de ruime context en de verwondering te verliezen. Bij die twee leidde dat alvast tot veel respect voor de natuurlijke gang.

Laten we als start Gunther Hauk (3) citeren: “In all spheres of life it is imperative that we leave the narrow and limiting emphasis on specialization and isolation and broaden our scope to include that which goes beyond our materialistic criteria of size, amount, weight and distance”. “ Bij het bekijken van elke levensvorm is het essentieel dat we de beperkende benadering, eigen aan specialisatie en isoleren, acter ons laten. Laten we onze blik verruimen waardoor we voeling krijgen met dat wat achter onze materialistische criteria van afmeting, gewicht en afstand ligt.” Zo zijn we geconditioneerd om alleen van een levend wezen te spreken als alle cellen waaruit het bestaat letterlijk met elkaar verbonden zijn. Een plant, een dier, een mens… Maar wat als die cellen zich los van elkaar kunnen bewegen en toch samen één levend geheel vormen? Waarbij de delen nooit buiten het geheel kunnen overleven… Alleen al daardoor is de door Tautz gevonden term “superorganisme” toch de juiste benadering van een bijenvolk.

Delen van het geheel

Onmisbaar bij elk bijenvolk, in onze streken, zijn een nestholte, wasraat, de koningin, de werksters en de darren. Je kan geen enkele van deze factoren uitschakelen zonder dat het volk als geheel ten onder gaat. De meest gangbare benadering beschrijft de raat als opslagplaats en de koningin als “ei-legster”. De werksters poetsen, voederen, zweten was, houden de wacht en halen ten slotte nectar, pollen en propolis binnen. Darren lijken alleen belang te hebben bij standbevruchting en worden ter plaatse snel “overbodig” als de imker kiest voor kunstmatige- of eilandbevruchting… Een meer subtiele benadering geeft ons verder (beginnend) inzicht in de vele regulatiesystemen van vocht, temperatuur, ventilatie enz. We ontdekken het belang van een zeer verfijnd communicatiesysteem. Darren blijken verre van “overbodig” maar spelen een essentiële rol bij de temperatuurregeling voor het broed, zij kunnen zich over zeer grote afstanden verplaatsen, zijn bij elk volk welkom, doen daardoor aan socializen, verbinden volkeren met elkaar en vermijden ook inteelt. Elke van de tienduizenden bijen blijkt telkens een specifieke rol te spelen en die rol verandert vaak maar is telkens in functie van de noden van de kolonie. Enerzijds speelt elke bij een rol bij het intern functioneren van het volk, anderzijds bij het reageren op externe- en/of omgevingsfactoren. In normale omstandigheden verloopt zoiets vlot en met goed resultaat.

Een volk

De hamvraag blijft: Wat maakt deze verzameling tot een “volk”? Een bijenkolonie vertoont een reeks eigenschappen die je alleen bij meercellige organismen of zoogdieren terugvindt. Zo is de nesttemperatuur van ongeveer 35°C – en daar wordt zelden van afgeweken, ongeacht de weersomstandigheden – zowat de lichaamstemperatuur van zoogdieren. Voor een verzameling koudbloedigen daarentegen is ze uniek. Tautz (2) ziet nog andere vergelijkingen met een zoogdier: een trage vermenigvuldiging, bijen produceren een soort “moedermelk”, het broednest functioneert vergelijkbaar met een baarmoeder, bijen leren snel en verwerven opvallend gemakkelijk kennis. De raat kan je bekijken als een skelet, de koningin als het vrouwelijk – en de (verzameling) darren als het mannelijk geslachtsorgaan… Essentieel is dat een volk eigenschappen ontwikkelt die veel verder gaan dan de eigenschappen die één bij op zich heeft. Het geheel kan zoveel meer dan de som der delen.

Besluit

Een bijenvolk is uniek. Als geheel overstijgt het de beperkingen van de delen waaruit het volk is samengesteld. Er zijn weinig of geen echt vergelijkbare systemen bekend. Honingbijen zijn een soortenarme groep die echter zo belangrijk is bij het in standhouden van een reeks ecosystemen (bijv. voor bestuiving) dat ze onmisbaar zijn voor het voortbestaan van de huidige levensvormen op aarde. Echt bijzonder is de relatie van een volk met bloeiende planten. Het ingenieus communicatiesysteem tussen planten en bijen … We geven soms de indruk al heel wat te weten in verband met het diepere functioneren van een bijenvolk. Maar… is dat wel zo. We bestempelen een volk als gezond bij afwezigheid van ziekte, maar gezond betekent vooral dat we de vele subtiele en krachtige interacties binnen het volk en tussen het volk en zijn omgeving bevorderen in plaats van te beperken. Het zijn de enige bestuivers die overwinteren als kolonie. Het volk heeft voortdurend behoefte aan snelle en aangepaste besluitvorming waardoor het geheel zich voortdurend aanpast aan de steeds veranderende externe en interne omstandigheden. Wat weten we daar uiteindelijk echt over? Die gebeurt “collectief”, er is geen centraal bestuur. Maar hoe gaat dat collectief in zijn werk? Mensen als Rudolf Steiner nodigen ons uit om open te staan voor een meer “spirituele” benadering. Meer en meer mensen, waaronder een groeiend aantal imkers, slaan deze weg in …
Laat ons de manier waarop honingbijen leven gerust magisch noemen. We kunnen het best nederig zijn over onze kennis met betrekking tot dat leven. Aarzel niet om steeds vanuit verwondering en bewondering naar een bijenvolk te blijven kijken, het te voelen en te begrijpen. Daardoor word je zeer voorzichtig voor je tussenkomt in zo’n volk. Alles wat we doen is met respect voor het volk en ter ondersteuning ervan. Door de vele stressfactoren waarmee bijen geconfronteerd worden is “niks doen” vaak geen optie. Maar bij alles wat we doen primeren de belangen van de bij en niet de onze, zoals al te vaak het geval is.

1 Thomas Seeley, Honeybe Democracy, Princeton University Press, Princeton and Oxford, 2010; en The Wisdom
of The Hive, The Social Physiology of Honey Bee Colonies, Harvrd University Press, Cambridge and London,
1995; en Following the Wild Bees. The Craft and Science of Bee Hunting, Princeton University Press, Princeton
and Oxford, 2016.
2 Jürgen Tautz, Honingbijen, KNN UItgeverij (vertaald uit het Duits door Bart Voorzanger).
3 Gunther Hauk, Towards Saving The Honeybee, Biodynamic Association, Milwaukee, 2017, p. 36.